liefdesdaad

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈlivdəzˌdat/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de keer dat men de liefde bedrijft
    Hij maakte er een aantekening van maar besefte op hetzelfde moment dat hij zijn concentratie begon te verliezen, met name omdat de liefdesdaad in de kamer boven hem zijn climax leek te naderen.