lief

vrouwelijk (de)/lif/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vrouwelijke persoon met wie je verkering hebt
  2. vriendelijk, zachtaardig
    Ze zat vol tegenstrijdigheden, was ontwapenend lief maar kon ook onverwacht fel uit de hoek komen zodra iemand te dichtbij kwam of te veel van haar verwachtte.
  3. mooi, fijngebouwd
    Wanneer ze een tel is ingedut en haar gezicht eindelijk weer iets kinderlijks krijgt, met een lief onderkinnetje en al.
    Ik vond het ontzettend lief dat je gisteren alle techniek voor Joy hebt gedaan, dat wilde ik je nog zeggen.
  4. vriendelijk, behulpzaam
    Ik vond het ontzettend lief dat je gisteren alle techniek voor Joy hebt gedaan, dat wilde ik je nog zeggen.

Etymologie

*(erfwoord) via Middelnederlands """ van Oudnederlands """ / "lieva", in de betekenis van ‘bemind, aardig’ voor het eerst aangetroffen in 901

Uitdrukkingen

  • meer/minder dan mij lief ismeer/minder dan gewenst

Vertalingen

Engelsdear, dear
Fransaimable, mignon
Duitslieb, lieb, hübsch