leuning
vrouwelijk (de)/ˈlønɪŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- iets waartegen men aan kan leunenGelukkig kon hij de trap op door zich vast te houden aan de leuning.
- de achterkant van een stoelDe leuning van de stoel ontbrak, dus kon ik niet naar achteren leunen.
Etymologie
* van leunen .
Vertalingen
DuitsGeländer, Lehne, Stuhllehne
Spaansantepecho, balaustrada, baranda
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek