Leunen

/ˈlønə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg (inerg) steunen, het evenwicht bewaren door het eigen gewicht deels door iets anders te laten steunen
    Hij leunde tegen de muur.
    De Koning leunde voorover in zijn Troon en zijn stem klonk zacht, toen hij verder ging: 'Hij heeft besloten om naar de Zuidelijke Doorgang te gaan. Hij wil een poging doen om in de Vallei der Dwaasheid te komen. Dat betekent dat hij de Trappen van het Kwaad zal moeten beklimmen. Wij hier weten hoe gevaarlijk dat kan zijn. Wij kunnen hem niet vergezellen op zijn tocht.'{{Aut|Herzen, Frank
    Hun handen en voetzolen drukken tegen elkaar aan, maar hun lichamen leunen achterover.

Etymologie

* In de betekenis van ‘steunen op of tegen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1439

Vertalingen

Engelslean
Franspresser
Duitslehnen, anlehnen
Spaansapoyarse, arrimar
Zweedsluta