lesbus

mannelijk/vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een autobus waarin men leert rijden met een autobus
    Een stadsbus botste donderdagmiddag, om kwart over 5 op de Diepenhorstlaan op een lesbus. De instructeur (52 jaar) van de lesbus greep in nadat zijn leerling (31 jaar) een stuurfout maakte. De daar achter rijdende buschauffeur (36 jaar) was daar niet op bedacht en botste op de achterzijde.
  2. een autobus waarin men lesgeeft
    Lesbus gaat vluchtelingenkampen af: 1 miljoen kinderen zijn door de oorlog in Syrië naar buurlanden gevlucht, waaronder Libanon. Een "beschamende mijlpaal", zo noemt de VN het. In die landen proberen ze draad weer een beetje op te pakken, maar dat valt niet mee.