lenen
/ˈlenə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) iets wat eigendom is van een ander tijdelijk gebruiken, al dan niet in ruil voor een kleine vergoedingHet boek dat jullie lenen van Jan, wil hij over een week weer terughebben.
- (ov) iets aan iemand anders te leen gevenKun je me dat even lenen?
- zich ~ tot/voor; mogelijk makenHet weer leent zich vandaag voor een wandeling.
Etymologie
* In de betekenis van ‘te leen geven of krijgen’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Vertalingen
Engelsborrow, lend
Fransemprunter, prêter
Duitsborgen, sich leihen, borgen
Spaansdejar
Poolspożyczać
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek