lenen

/ˈlenə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) iets wat eigendom is van een ander tijdelijk gebruiken, al dan niet in ruil voor een kleine vergoeding
    Het boek dat jullie lenen van Jan, wil hij over een week weer terughebben.
  2. ov (ov) iets aan iemand anders te leen geven
    Kun je me dat even lenen?
  3. zich ~ tot/voor; mogelijk maken
    Het weer leent zich vandaag voor een wandeling.

Etymologie

* In de betekenis van ‘te leen geven of krijgen’ voor het eerst aangetroffen in 1240

Vertalingen

Engelsborrow, lend
Fransemprunter, prêter
Duitsborgen, sich leihen, borgen
Spaansdejar
Poolspożyczać