leeftijd
mannelijk (de)/ˈleftɛit/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- de tijd dat iemand leeft of geleefd heeft, het totaal aantal levensjarenWat is uw leeftijd? Ik ben vijftig jaar oud.
- een bepaald tijdstip in iemands levenDie man daar is van middelbare leeftijd.In het hostel was ik veel opgetrokken met een Engelsman van mijn leeftijd.Ofdat kon je misschien niet zeggen, niet als je van zijn leeftijd was, dat kon verkeerd worden opgevat.
Vertalingen
Engelsage
Fransâge
DuitsAlter, Alter, Durchschnittsalter
Spaansedad
Italiaansetà
Portugeesidade
Russischвозраст
Poolswiek
Zweedsålder
Deensalder
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek