leed
onzijdig (het)/let/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- verdriet en pijnEr is hem behoorlijk wat leed aangedaan.De zwarte spore van de vernedering vermenigvuldigt zich tot het er duizenden zijn, en het leed dat onder de oppervlakte heeft gesluimerd, vindt eindelijk een stem.En dan had ik ook nog eens mijn handen vol gehad aan een moeder die het leed van mij, haar dochter, niet kon verdragen.
Etymologie
* In de betekenis van ‘verdriet, schade’ voor het eerst aangetroffen in 1100
Uitdrukkingen
- Buurmans leed troost — door het verdriet of de pijn van een ander kun je je eigen verdriet en pijn beter verdragen
- Lief en leed delen — allerlei plezierige en droevige dingen met elkaar beleefd hebben
- Iets met lede ogen aanzien — jaloers zijn, iets met spijt aanzien
Vertalingen
Engelsgrief
DuitsLeid
Spaanssufrimiento
Deenskval
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek