Lavendel

mannelijk/vrouwelijk (de)/laˈvɛndəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bloemplanten, kruid (bloemplanten) (kruid) een geslacht van (chamefyten) uit de lipbloemenfamilie (). Lavendelsoorten worden aangeplant in tuinen omwille van de paarse kleur en de geur van de bloemen
  2. kleur (n) (kleur) de kleur van lavendel
    Heeft u die ook in het lavendel?

Etymologie

* Leenwoord uit het middeleeuws Latijn, in de betekenis van ‘heestergeslacht, de bloemen daarvan’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1350

Vertalingen

Engelslavender
Franslavande
DuitsLavendel
Spaanslavanda, espliego, cantueso