laagconjunctuur
vrouwelijk (de)/ˈlaxkɔɲʏŋkˌtyr/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (economie) tijd waarin het slecht gaat met de economie die zich kenmerkt door een hoge werkloosheid, een geringe economische bedrijvigheid en een voorzichtige bestedingsneiging onder de consumenten
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek