laagconjunctuur

vrouwelijk (de)/ˈlaxkɔɲʏŋkˌtyr/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. economie (economie) tijd waarin het slecht gaat met de economie die zich kenmerkt door een hoge werkloosheid, een geringe economische bedrijvigheid en een voorzichtige bestedingsneiging onder de consumenten