kwetsen
/ˈkwɛtsə(n)/
Betekenis
werkwoord
- beschadigen, schadenDe tocht over de hobbelige keien kwetste de geplukte bosbessen die we achter in de auto hadden liggen.
- beledigen, schofferenHij voelde zich erg gekwetst door die opmerking.
Etymologie
* Herkomst onduidelijk, mogelijk ontleend aan of beïnvloed door Oudfrans "quasser" “kwetsen, kneuzen”, “verbrijzelen” (modern Frans "casser", Picardisch "quachier"), ook in Duits "quetschen" “kneuzen” (Middelhoogduits "quetzen", "quetschen" “slaan”, “verwonden”).
Vertalingen
Engelshurt, bruise, injure
Fransblesser, endommager, blesser
Duitsverletzen, beschädigen, schaden
Spaansherir, lesionar, herir
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek