kweepeer

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈkweper/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. fruit (fruit) een peervormige vrucht van de
    De jongens in de keuken hebben het vak nog van de oude Jon Sistermans geleerd en hebben een stevige wildkaart in elkaar geknutseld: patrijs met rauwe zuurkool en walnootmayonaise, gebraden reebout met spruitjes en herfstbock, fazant met bloedworst, eendenlever en kweepeer en op het karkas gebraden hazenrug met schorseneren en chocoladesaus Volkskrant Marcus Huibers 3 november 2016

Vertalingen

Engelsquince
Franscognassier
DuitsQuitte
Portugeesmarmeleiro
Russischайва
Chinees榲桲
Japansマルメロ
Koreaans마르멜루
Arabischسفرجل
Turksayva
Poolspigwa pospolita
Zweedskvitten
Deenskvæde