kwartje

/ˈkwɑrcə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. numismatiek, historisch (numismatiek) (historisch) muntstuk ter waarde van f 0,25
    Een kwartje is 25 cent.

Etymologie

*[2] in de betekenis van ‘een vierde gulden’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1646

Uitdrukkingen

  • Het kwartje kan twee kanten op vallenHet kan een goed óf een slecht slecht resultaat opleveren
  • Het kwartje valt [niet]Gezegd als iemand iets wel of juist niet begrijpt
  • Wie voor een dubbeltje geboren is, wordt nooit een kwartjeJe kunt niet hoger komen dan de maatschappelijke stand die je had bij je geboorte