kurkeik
mannelijk (de)/ˈkʏrᵊkˌɛik/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bloemplanten) een boom uit de napjesdragersfamilie (), die van nature voorkomt in Zuid-Europa en Noord-Afrika en die het hele jaar groen blijft. Deze eik wordt aangeplant als sierboom in parken en tuinen. Verder wordt de boom vooral in Spanje en Portugal gekweekt vanwege de kurk. De hoogte is 20 m
Etymologie
* ; Zo genoemd omdat kurk gemaakt wordt van zijn elastische schors.
Vertalingen
Engelscork oak
Franschêne-liège
DuitsKorkeiche
Spaansalcornoque
Italiaanssughera
Portugeessobreiro, sobro, sobreira
Russischдуб пробковый
Poolsdąb korkowy
Zweedskorkek
Deenskork-eg
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek