kurk
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈkʏrᵊk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- afdichting voor flessen uit veerkrachtig materiaal dat de flessehals afsluit; oorspronkelijk gemaakt uit de schors van een bepaalde boomsoort (kurkeik, ), vanaf de 20e eeuw ook wel uit kunststofDoor de late goal moesten de kurken nog even op de fles blijven.Eindelijk nam ze een klein aarden kruikje, goot de drank erin, deed er een kurk op en zei: 'Ieder uur tien druppels, drie dagen lang en je paard is weer gezond.'Een van de andere jongens kreeg die avond zijn trailnaam. Ik had hem gevraagd de wijn vast open te trekken. Hij draaide de kurkentrekker de fles in en de wijn spoot over hem heen. De fles bleek namelijk geen kurk, maar een draaidop te hebben.
zelfstandig naamwoord
- licht, poreus materiaal, afkomstig uit de boomschors van de kurkeikDe hengel heeft een handgreep van kurk.
Etymologie
*via Middelnederlands "corc" van "corcho", in de betekenis van ‘schors van kurkeik, materialen daarvan’ aangetroffen vanaf 1545
Vertalingen
Engelscork, cork
Fransbouchon, liège
DuitsKorken, Pfropfen, Stöpsel
Spaanscorcho, tapón de corcho, corcho
Italiaanstappo, turacciolo, sughero
Portugeescortiça
Russischпробка, пробка
Poolskorek, korek
Deenskork
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek