kring

mannelijk (de)/krɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. meetkunde (meetkunde) patroon in de vorm van een cirkel
    Kinderen, ga maar in een kring staan!
    Toen de Baas van de Mollen vertrokken was keek Nemo de kring aanvoerders rond. {{Aut|Herzen, Frank
    Er zal een kring ontstaan waar de steen het water geraakt heeft, en die kring zal ogenblikkelijk uitdijen tot nog een kring, en nog een. {{Aut|Shafak, Elif
  2. maatschappij (maatschappij) groep personen die met elkaar omgaan omdat ze bepaalde belangen of opvattingen delen
    Dat is in deze kringen niet gebruikelijk.
    Het bijzondere aan alleen reizen is dat je nieuwe mensen ontmoet. Thuis verkeerde ik meestal in mijn vertrouwde kringetjes.
  3. pregnant (pregnant) cirkelvormige vlek op een tafelblad, vaak doordat daar een nat glas heeft gestaan
    Hier, gebruik een bierviltje, anders heb je kringen.

Etymologie

:Noord: : kringur (: kringr)

Vertalingen

Engelscircle, halo, club
Franscercle, cercle, clique
DuitsKreis, Zirkel, Kreis
Spaanscírculo, redondel, corro
Italiaanscerchio, circolo
Portugeescírculo, círculo
Zweedskrets
Deenscirkel, kreds