krimp

mannelijk (de)/krɪmp/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vermindering van omvang
    En in de afgelopen jaren hebben de Zweden al veel moeten slikken: de economie zat in een stevige krimp, het sociale vangnet functioneerde minder dan men had gedacht en de werkloosheid liep sterk op.
  2. blijk dat men onder de indruk is (meestal ontkennend gebruikt om aan te geven dat iemand iets lijkt te negeren)
    De jongen die haar had geslagen, riep tegen de vrouw dat hij geld wilde hebben, maar de vrouw gaf geen krimp doch sloeg de jongen onmiddellijk met een klomp op zijn hoofd.
  3. bouwkunde (bouwkunde) taps toelopende ruimte tussen twee wanden
  4. ruimte waarin het scheprad van een watermolen is bevestigd
  5. (Gronings) inspringend muurwerk
  6. (Gronings) hoek waar twee schuine daken bij elkaar komen

Etymologie

*: "krimpen" zonder de uitgang -en

Uitdrukkingen

  • [1] op de krimp
  • [2] geen krimp geven