groei

vrouwelijk (de)/ɣruj/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het groter worden
    Zijn groei schokte de wereld.
    In 1972 verscheen het rapport "Grenzen aan de groei" van de Club van Rome, vijftig jaar later streven politici nog altijd naar een zo hoog mogelijke jaarlijkse economische groei
    Ze beargumenteren op basis van hun onderzoeken onder meer dat je voor economische groei in een land vaak politieke stabiliteit nodig hebt.
  2. toename in aantal

Etymologie

*Naamwoord van handeling van groeien zonder -en.

Vertalingen

Engelsgrowth
Franscroissance
DuitsWuchs, Zunahme
Spaansaumento, crecimiento, incremento