kreupele

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈkrøpələ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die door een aandoening aan één been niet goed lopen kan
    Ik ben gestopt met morfine en het ging goed. Een beetje zoals in het evangelie wanneer Jezus tegen de kreupele zegt: "Sta op!" Met mijn schoonzus, die op bezoek kwam en haar ogen niet kon geloven, ben ik in het bos gaan wandelen, vijf kilometer, iets wat ik al jaren niet meer had gedaan. Tubantia B. van Huët 13 februari 2018 [https://www.tubantia.nl/buitenland/mirakel-non-ik-heb-nooit-om-genezing-gevraagd~ae5423ed/ Mirakel-non: 'Ik heb nooit om genezing gevraagd']

Etymologie

*: "kreupel"