manke

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈmɑŋkə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die door een aandoening aan één been niet goed lopen kan
    Ze besteeg de trappen en omzichtig met haar schuifelende, scheve tred, die aan een manke denken deed, sloop ze de kamer van haar hospita voorbij.

Etymologie

[http://www.dbnl.org/tekst/zuyl002mijn01_01/zuyl002mijn01_01_0001.php?q=mankehl1 Mijnheer Sainte Anne. 3e druk (1990) Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam]; ; p. 8; geraadpleegd 2018-04-08