krawkraw

mannelijk (de)/ˈkrɑkrɑ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bepaald soort bruine, hoogpotige moerasvogel zo groot als een reiger,
    Enige van de al behandelde Karibische namen die inmiddels uit het SN verdwenen zijn, werden overgenomen door het Sranan en zo opnieuw doorgegeven naar het SN: namoe werd anamoe (enige bodembewonende ‘boshoenders’ en zwampbewonende ‘rallen’), sawakoe werd sabakoe (voor enige soorten ‘reiger’) - deze twee dus met slechts een kleine verandering - en craauw werd krawkraw (de ‘kraanral’), een bruine, hoogpotige zwampvogel die ‘zijn naam roept’.
zelfstandig naamwoord
  1. kookkunst (kookkunst) (Suriname) in olie krokant gebakken dunne schijfjes banaan of cassave
    Als je komt, vergeet niet die krawkraw mee te nemen.

Etymologie

**[B] (klanknabootsing) van het geluid bij het kauwen