chips

meervoud/tʃɪps/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voeding (voeding) dunne aardappelschijfjes, gebakken in vet of olie gebruikt als snack
    Dan komen er chips of pinda's in een bakje, en aanvankelijk zijn de jongens heel blij, maar dan kan het ook gebeuren dat er een paar minuten later ruzie is, zo vertelt de dominee. Tubantia 08-11-07 [https://www.tubantia.nl/almelo-e-o/basisscholen-westerhaar-vieren-dankdag~ac2c5c7a/ Basisscholen Westerhaar vieren Dankdag]
    Kennedy Meadows was een gehucht van niet meer dan tien huizen met een centrale winkel waar je bijna alles kon kopen. Ik kocht twee zakken chips, een sixpack bier en een bear canister die verplicht was in het gebied waar ik de komende vier weken doorheen zou lopen.
tussenwerpsel
  1. jongerentaal, krachtterm (jongerentaal) (krachtterm) uitroep van ergernis of frustratie
    Chips! Ik heb een onvoldoende!

Etymologie

** : verbastering van "shit" als (eufemisme)

Vertalingen

Engelspotato chips, potato crisps
Franschips
DuitsChips