kousenband
mannelijk (de)/ˈkɑusə(n)ˌbɑnt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (kleding) elastische band om de kous op te houden
- (groente) , een extreem lange peulvrucht
Etymologie
**[2]: betekenis ontstaan in Suriname vanwege de gelijkenis in vorm, in de betekenis van ‘groente’ voor het eerst aangetroffen in 1944
Vertalingen
Engelsgarter, yardlong bean, string bean
Fransjarretière, dolique asperge, haricot kilomètre
DuitsStrumpfband, Spargelbohne
Spaansjarretera, liga, judia china larga
Italiaansfagiolo asparagio
Deensmeterbønne
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek