kous

mannelijk/vrouwelijk (de)/kɑus/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kleding (kleding) een aansluitend, meer of minder elastisch kledingstuk dat de voet en (een deel van) het been bedekt
    Er zit een gat in mijn kous.
  2. een hulpmiddel om een brandstof in licht om te zetten, dat deel uitmaakt van een olie- of petroleumlamp

Etymologie

*Ontleend aan het Picardische cauce, dat net als het Franse chausse ontwikkeld is uit het Latijnse calceus.

Uitdrukkingen

  • Daarmee is de kous af.Daarmee is het afgelopen, daarmee is over de kwestie alles gezegd wat zinvol is
  • De kous op de kop krijgenJe zin niet krijgen
  • Het naadje van de kous willen wetenPrecies willen weten hoe iets zit
  • Met de kous op de kop thuiskomenBenadeeld van een mislukking terugkomen

Vertalingen

Engelsstocking, wick
Fransbas
DuitsStrumpf, Docht
Spaanscalcetín, media, mechero
Turksçorap