sok

mannelijk/vrouwelijk (de)/sɔk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kleding (kleding) kous die tot net boven de enkel komt
    Na alle ellende met de banken en zakkenvullerij had de oude man net als in de crisistijd zijn geld maar weer in een ouwe sok onder het bed gestopt.
    Om te voorkomen dat ik blaren zou krijgen had ik een dubbele laag sokken aangedaan (Darn Tough en Injinji teensokken).
  2. dierkunde (dierkunde) bij viervoeters het anders gekleurde, onderste deel van de poot
zelfstandig naamwoord
  1. techniek (techniek) verbindingsstuk dat over twee buizen geschoven wordt om ze te verbinden, mof [3]

Etymologie

*[B] Waarschijnlijk via het e "socket" te herleiden tot het e "soc", "ploegschaar" en het Latijnse "succos" of "soccos"se. Mogelijk uiteindelijk van Keltische oorsprong.

Uitdrukkingen

  • De sokken zettenWeglopen
  • Op zijn sokken winnenWinnen zonder enige moeite te hoeven doen
  • Een beer op sokkenEen groot en plomp iemand
  • Een held op sokkenEen lafbek
  • Van de sokken gaanTegen de grond gaan, flauwvallen, omvallen etc.

Vertalingen

Engelssock
Franschaussette
DuitsSocke, Strumpf
Spaanscalcetín, camiseta, manguito
Portugeesmeia
Russischносок
Turksçorap
Poolsskarpeta
Zweedssocka
Deenssok, strømpe