kou

vrouwelijk (de)/kɑu/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. situatie met lage temperatuur; de afwezigheid van warmte
    Stram van de kou en de spierpijn hijs ik mezelf uit bed.
    Snel pakte ik mijn rugzak in en vertrok met een dikke laag kleren aan. Binnen een uur was ik de kou weer vergeten omdat het zweet langs mijn hoofd begon te druipen.
  2. een virusinfectie aan keel of neus
zelfstandig naamwoord
  1. bloemplanten (bloemplanten) een plant uit de ruwbladigenfamilie ()

Vertalingen

Engelscold, cold
DuitsKälte, Erkältung
Spaansfrío