koot
mannelijk/vrouwelijk (de)/kot/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- gedeelte van de ondervoet bij het paard tussen kogelgewricht en hoef
- (bij uitbreiding) bikkeltje
Etymologie
* (erfwoord): Middelnederlands cōte ‘knokkel, botje, koot, bikkel’, ontwikkeld uit Oergermaans *kutō-; verdere herkomst onzeker. Evenals West-Vlaams keute ‘uitstekend gewrichtshoofd van beenderen’ en Nederduits Köte ‘koot’; daarnaast staat ablautend Fries keat ‘koot, bikkel’.
Vertalingen
Engelspastern
Franspaturon
DuitsFessel, Köte
Spaanscuartilla
Poolspęcina
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek