Kolk
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈkɔlk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een slurfvormige draaiing, met name in een watermassaHet kan gevaarlijk zijn voor een schip om in een kolk verzeild te raken.
- diepe kuil, plas of put gevuld met water
Etymologie
* In de betekenis van ‘maalstroom’ voor het eerst aangetroffen in 1389
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek