kokkels
/plaatshouder taxonomie/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (tweekleppigen) een geslacht van tweekleppige weekdieren die tot de familie behoren. De bolvormige, geelwitte schelp heeft een duidelijke uitwendige slotband met 24 tot 28 ribbels. De meeste kokkelsoorten leven in ondiep water tot in het intergetijdengebied van randzeeën. De meeste soorten zijn euryhalien
Etymologie
* "kokkel" met de uitgang -s
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek