kog

mannelijk/vrouwelijk (de)/kɔx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. scheepvaart, geschiedenis (scheepvaart) (geschiedenis) middeleeuws vrachtschip dat vooral door de Hanze werd gebruikt
    (…) stormt herfst aan, rust daar als vanouds de kog.

Etymologie

*van Middelnederlands "cogge" / "cocghe" misschien van Latijn "caudiceus" "uit boomstam gemaakt" of als (erfwoord) verwant aan koog