kog
mannelijk/vrouwelijk (de)/kɔx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (scheepvaart) (geschiedenis) middeleeuws vrachtschip dat vooral door de Hanze werd gebruikt(…) stormt herfst aan, rust daar als vanouds de kog.
Etymologie
*van Middelnederlands "cogge" / "cocghe" misschien van Latijn "caudiceus" "uit boomstam gemaakt" of als (erfwoord) verwant aan koog
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek