koeskoes

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈkuskus/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voeding, geschiedenis (voeding) (geschiedenis) oorspronkelijk matrozenkost van gortepap met kruiden en azijn, ook gebruikt als aanduiding voor andere gerechten uit vermengde goedkope ingrediënten
    {{ouds
  2. figuurlijk, pejoratief (figuurlijk) (pejoratief) onaantrekkelijke mengelmoes
    {{ouds
zelfstandig naamwoord
  1. buideldieren (buideldieren) zoogdier met een grijpstaart en zeer dichte pels, lid van de familie uit de orde klimbuideldieren
    Deze röntgenfoto van een gewonde koeskoes (een buideldier dat kan klimmen) laat zien dat de moeder een baby bij zich draagt.
zelfstandig naamwoord
  1. bloemplanten (bloemplanten) (Nederlands-Indië) stekelig soort gras
    {{ouds

Etymologie

*[C] vermoedelijk van "kutu-kutu" "vlooien" (zie vindplaats hieronder)