knoeipot

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een slordig persoon die veel knoeit en daardoor zijn omgeving vies maakt
    Een eggtimer voor wie nog geen ei koken kan en voor knoeipotten een vinyl vloermat of een leren schort.NRC 21 november 2015
    „Het is de plicht van een regisseur om de actualiteit van een stuk te benadrukken”, zegt Johan Simons, artistiek leider van de Münchner Kammerspiele en bij TA regisseur van een gewelddadige Macbeth waarin liters bloed over de de speelvloer spat. Simons: „Een stuk als Macbeth dwingt de actualiteit af. Je moet wel een knoeipot van een regisseur zijn als je geen verbinding legt tussen deze tekst bomvol machtswellust en moordzucht en het nu. Voor mij waren de oorlogsfoto’s van de Canadese fotograaf Jeff Wall een inspiratiebron.”NRC Kester Freriks 16 augustus 2012
    Bepaalde mensen mogen vies worden, anderen niet, omdat ze mee moeten naar de koningin.Ik heb veel mensen vies gemaakt, ik ben een knoeipot.NRC Arnon Grunberg 2 februari 2001

Etymologie

* In de betekenis van ‘knoeier’ voor het eerst aangetroffen in 1950

Vertalingen

Engelsbungler, botcher