knevelaar

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die een ander knevelt
    Vorige week zag ik een tv-documentaire over de Fassbinder-affaire, die speelde in 1987. De reconstructie moet vooral pijnlijk zijn geweest voor rabbijn Soetendorp en voor een aantal joodse organisaties. Nu alles chronologisch achter elkaar was gezet, zag je de zeepbel van het vermeend antisemitisme uit elkaar spatten. Je zag ook hoe bij Soetendorp het verstand werd overgenomen door de woede en je zag het moment van helderheid waarop hij zich realiseerde hoe hij van aanklager in een knevelaar was veranderd. NRC Max Pam 12 februari 1999 [https://www.nrc.nl/nieuws/1999/02/12/antisemitisme-7435087-a147233 Antisemitisme]
    Het bindmiddel van alle knevelaars, of het nu de bestuurders van Pruisen waren of de autoriteiten van Westfalen, was de censuur, constateerde de dichter ironisch. NRC Martin van Amerongen 19 oktober 1990 [https://www.nrc.nl/nieuws/1990/10/19/harry-mulisch-kon-er-niet-om-lachen-6944440-a191730 Harry Mulisch kon er niet om lachen]
    Anderen, zeg maar de BUMA/Stemra-achtigen, halen de knevels te voorschijn uit angst voor financiële schade, een probleem dat in de toekomst zeker serieus kan worden, maar dat, gezien de vele tegenstrijdige belangen, heel voorzichtig moet worden aangepakt. Tegenover al deze would-be knevelaars uit eigenbelang hoort een rationele, koel denkende overheid te staan, die de belangen en vrijheden van de individuele burger in de gaten houdt, gesteund door niet minder koel denkende rechtsgeleerden. NRC Rik Smits 10 mei 1997 [https://www.nrc.nl/nieuws/1997/05/10/pasjes-en-knuppels-7352670-a900002 Pasjes en knuppels]
  2. iemand die een ander afperst

Etymologie

* van knevelen