knauw

/knɑu/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. harde beet
    De hond had hem een lelijke knauw in zijn been gegeven
  2. figuurlijk (figuurlijk) schade oplopen
    Zijn gestel had van de longontsteking een flinke knauw gekregen

Etymologie

* "knauwen" zonder de uitgang -en