klokrok

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een rok die aansluit bij de taille en naar beneden steeds wijder wordt
    Trams tingelen kerkklokken luiden. Het c carillon declameert vrolijke liedjes dames met klokrok staan elegant op hun kop. De arrenslee schudt jinglebellend de sneeuw van zich. Alles is vol klingelend leven zoals het ooit was bedoeld..
    Deux-pièces, waarvan het jasje geborduurd is in blauw-wit, bestikt met kralen. Daarbij een klokrok van blauwe crêpe georgette met een bijpassende hoed van veren.
    Gaytten koos opnieuw voor de klassieke, stijlvolle waarden van het huis. Zo zagen we onder meer lange jurken met verhoogde taille, klokrokken in zijde en organza, getailleerde jasjes, met hier en daar wat peplums.

Vertalingen

Engelsflared skirt