klokhuis
onzijdig (het)/ˈklɔkhœys/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- binnenste van vruchten als appels en peren, met een holle ruimte voor de pittenIn het klokhuis van een appel bevinden zich de pitten.
- (bouwkunde) bouwsel waarin luidklokken hangenTegen de zuidzijde van het koor bevindt zich de voormalige sacristie, nu kerkeraadskamer, en tegen de westgevel van de zijbeuk een klokhuis.
Etymologie
**[1] (figuurlijk) gebruikt, omdat de holle ruimte voor de pitten doet denken aan de ruimte waarin klokken hangen, in de betekenis van ‘zaadhuisje van appels en peren’ voor het eerst aangetroffen in 1500
Vertalingen
Engelscore
Franstrognon
DuitsGehäuse
Spaanscorazón
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek