Klimmen

/ˈklɪmə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. bewegen in een omhooggaande richting dan wel over obstakels
    Het is zeven kilometer klimmen naar 1148 meter en er zitten huiveringwekkende stijgingspercentages tussen, van boven de 20 procent
    0, ja, hij kon goed klimmen, op de rotsen tenminste, hij was gewend aan de kou, want in de bergen was het 's nachts altijd koud.
    In de avond klommen we naar de ‘Kern Falls’, een reusachtige waterval.
  2. stijgen, omhooggaan
    Na een tijdje merkte ik duidelijk aan mijn oren dat we van zeeniveau naar duizend meter hoogte aan het klimmen waren.

Etymologie

* In de betekenis van ‘klauteren’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1265

Vertalingen

Engelsclimb
Fransmonter
Duitsklettern, klimmen, steigen
Spaanssubir, aumentar, abejucarse