klauw

vrouwelijk (de)/klɑu/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. uiteinde van een poot met kromme nagels van een roofdier
    Met z'n reusachtige klauwen vermorzelt het beest z'n prooi.
  2. informeel (informeel) (grof) hand
    Blijf met je klauwen van mijn lijf!

Etymologie

* In de betekenis van ‘nagel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901

Uitdrukkingen

  • In de klauwen hebbenIn zijn macht hebben; in toom hebben of houden
  • In de klauwen van iemand vallenDoor iemand onderschept worden
  • Klauwen en nagels hebbenZich kunnen verdedigen

Vertalingen

Engelsclaw, talon, claw
Fransgriffe, serres, griffe
DuitsKlaue, Kralle, Fänge
Spaansgarra, garra
Zweedsklo
Deensklo