klaplopen
/ˈklɑplopə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) werkschuw rondlopen, profiterend van anderenVoor Bergman is het in elk geval wel autobiografisch dat de toen al wereldberoemde cineast geen luis had om dood te drukken en voortdurend liep te klaplopen bij zijn artistieke vrienden.
Etymologie
*(verkorting) van de uitdrukking "met de klap lopen" of "op de klap lopen" die verwijzen naar de Lazarusklap, de klepper waarmee vroeger mensen die aan lepra leden hun nadering moesten aankondigen als ze kwamen bedelen; op te vatten als [https://www.delpher.nl/nl/boeken1/gview?query=klaploop&coll=boeken1&identifier=y6b-FyWFqUcC Dichtwerken van Bilderdijk deel 1 (1856) A.C. Kruseman, Haarlem]; p. 481 aant. 13; geraadpleegd 2018-10-18
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek