klap
mannelijk (de)/klɑp/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- plotselinge, luidruchtige slagDe oude vaas viel met een luide klap in duizend stukken op de vloer uiteen.Ze zet de schoenen met een klap neer, in de hoop dat ze met lawaai iemand naar zich toe roept - of juist wegjaagt.' Maren slaat haar boek met een klap dicht en verlaat de kamer.
- een bestraffing door slagen met de open handHij heeft vroeger veel klappen gehad.' Dat is als een klap in Nella's gezicht, een brutaliteit die geen enkele dienstmeid in Assendelft zich ooit zou permitteren.Hij heeft op beide ogen een klap gehad, en de huid eromheen heeft de kleur van uitgebloeide tulpen.
Etymologie
*(klanknabootsing)
Uitdrukkingen
- plak
Vertalingen
Engelsbang, blow, slap
Franscoup, claque, coller une patate
DuitsKnacks, Klaps
Spaansgolpe, bofetada, bofetón
Deenssmæld
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek