opdonder

mannelijk (de)/ˈɔbdɔndər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. harde klap of vuistslag
    De gepensioneerde John Griffin kreeg een ’behoorlijke opdonder’ door het hek waar 8000 volt op staat, zo vertelt hij tegen de New Zealand Herald. Maar het werkte wel. „Het was helemaal goed.”de Telegraaf 30 apr. 2017
    Het opiniestuk begon met de boodschap dat de uiterst rechterflank - overigens is de PVV op enkele vlakken ook behoorlijk links - van ons politieke spectrum een opdonder zou hebben gekregen. Alles in beschouwing genomen hebben er echter nog altijd bijna een half miljoen kiezers extra op de PVV en Forum voor Democratie gestemd.de Telegraaf TEEUWE MEVISSEN 31 mrt. 2017
    „Als ook deze landen het groeipad naar boven vinden kunnen ze misschien het spook van het populisme van zich afschudden en een hogere groei realiseren.” Een verkiezing van Marine Le Pen van het Front National tot president van Frankrijk „zou het vertrouwen in heel Europa maar ook internationaal een enorme opdonder geven.”de Telegraaf 23 feb. 2017

Etymologie

*: (nomact) van "opdonderen" zonder de uitgang -en op te vatten als

Vertalingen

Engelswallop, pipsqueak