kirren

/ˈkɪrə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg (inerg) het geluid van duiven maken
    De duiven zaten de hele tijd te kirren.
    Nu ergeren kirrende duiven me niet meer.
  2. ov, figuurlijk (ov) (figuurlijk) met hoog stemgeluid vrolijk opgewonden praten
    Ik hoor een verdraaide kinderstem spookachtig „Hoor je me” kirren.
    De grote hand van de man die net nog trillend zijn mond had gedept, kietelde de vrouw nu in haar nek en zij kirde. Er is geen ander woord voor mogelijk, zij was aan het kirren.

Etymologie

*(klanknabootsing), in de betekenis van ‘rollend keelgeluid maken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1599