koeren
/ˈkurə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) een geluid als van duiven voortbrengen"Ja, oh, wat heerlijk" koerde ze.
Etymologie
*: "koer" met uitgang -en
Vertalingen
Engelsbill and coo
Spaansarrullar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek
*: "koer" met uitgang -en