kielzog

onzijdig (het)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. scheepvaart (scheepvaart) de waterstromen die een varend schip achterlaat, kielwater
    Het enige wat Rensing zich van die dagen zou herinneren waren het blote lijf van Jacomine in zijn bed, haar schotten, haar borsten die hij kneedde terwijl hij onhandig op haar klom, de rode vlekken van opwinding in haar hals; en het kielzog van de boot op de heenweg, het schuim dat het water dooraderde als biefstukken, en verder van de scheepsromp als sukadelappen.
    Een imponerend schip laat altijd een brede streep kielwater achter zich. Als men de betekenis van maritiem historicus J. R. Bruijn moet afmeten aan het bruisen van zijn kielzog, dan kan hij slechts worden vergeleken met een oceaanstomer. In maart nam de enige hoogleraar zeegeschiedenis die Nederland rijk is, afscheid van de Universiteit Leiden. Reformatorisch Dagblad Dr. J. E. Korteweg 04-06-2003 [https://www.rd.nl/boeken/het-kielzog-van-maritiem-historicus-jaap-r-bruijn-1.180249 Het kielzog van maritiem historicus Jaap R. Bruijn]
  2. figuurlijk (figuurlijk) veilige zone/situatie e.d. die door iets of iemand wordt gecreëerd, en waar anderen vervolgens van kunnen profiteren
    Ik voelde niets veranderen in de kamer, behalve de schok van mijn eenzame stem en die speciale euforie die je voelt in het kielzog van applaus, een tegelijkertijd goedkoop en triomfantelijk gevoel.

Etymologie

*Samenstelling van kiel en de werkwoordstam van zogen ('zuigen').

Uitdrukkingen

  • in iemands kielzog, in het kielzog van(gemakshalve en/of omdat dit voordeel oplevert) in navolging van iets of iemand

Vertalingen

Engelswake, in the wake
Franssillage, dans la foulée
DuitsKielwasser, im Kielwasser
Spaansestela
Russischкильва́тер
Deenskølvand