kevie
vrouwelijk (de)/ˈkevi/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- constructie van tralies, vlechtwerk of rasters waardoor de inhoud niet weg kan maar in contact blijft met de omgevingHij had zijn paardje ingespannen en op de wagen geladen al wat erop kon: meubels, beddengoed, potten en pannen. Tussen de wielen, onder de as, bengelde de bak met konijnen en de kevie met het kanarievogeltje.De personages die elkaar uitmoorden in 'Intermezzo' zijn parlementsleden, predikanten, notarissen, juristen, kunstrecensenten, soldaten van het leger des heils, - terwijl de dichter in een kevie zit.Zeldzamer wordt de teenen kevie, waar het kind in loopt met zijn strooien valhoed; zeldzamer nog de houten laarzentrekker; de Romeinsche weegschaal is geheel uit het gebruik.
Etymologie
*via Middelnederlands "kevie" van en kevia "val om dieren te vangen", teruggaand op Latijn "cavea" "holte, kooi"; cognaat met "Käfig"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek