kerkzaal
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈkɛrᵊkˌsal/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (religie) (christelijk) grotere ruimte in een gebouw bestemd voor missen of vieringenIn de kerkzaal waren 350 zitplaatsen in de vorm van stoelen, die in carré waren opgesteld waren rond het eikehouten vieringaltaar.[http://www.kerkgebouwen-in-limburg.nl/kerken/passart/paulus Paulus], kerkgebouwen-in-limburg.nlDit pand werd in 1918 als woonhuis met kerkzaal gebouwd voor de Herst. Apost. gemeente en in 1931 naar plannen van J.S. Baars verbouwd tot synagoge (vergroot 1956, gerestaureerd 1983).
Vertalingen
Engelschurch hall
Franssalle paroissiale
DuitsKirchensaal
Zweedsförsamlingshem
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek