kerk
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈkɛrᵊk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (religie) (bouwkunde) openbaar gebouw voor religieuze handelingen of samenkomstenEn over zijn graf werd een prachtige kerk gebouwd, die het middelpunt werd van de Nicolaasverering.Als ik vroeger naar een nieuwe plaats verhuisde, bezocht ik steevast alle kerken van de stad.
- (religie) religieuze stroming
- (religie) georganiseerde groep die bepaalde religieuze, m.n. christelijke, standpunten aanhangt (bijv. Katholieke Kerk, Gereformeerde Kerk etc.)
- (religie) (in engere zin) gemeenschap van alle christenen
- (metonymisch) groep gelovigen als zodanigHet was een bewustwordings-survival-oefening van de kerk van zijn ouders.
Etymologie
*Oud leenwoord, via Middelnederlands "kerke" en Oudnederlands "kirika" van "κυριακόν" (kuriakón) "(huis) van de Heer", in de betekenis van ‘bedehuis’ voor het eerst aangetroffen in 777
Uitdrukkingen
- in de kerk geboren zijn
- vloeken in de kerk
- voor het zingen de kerk uit
- voor het zingen de kerk uitgaan
- de kogel is door de kerk
Vertalingen
Engelschurch, kirk, church
Franséglise, église
DuitsKirche, Kirche
Spaansiglesia, iglesia, iglesia
Italiaanschiesa, Chiesa
Portugeesigreja, templo, igreja
Russischцерковь, костёл, церковь
Chinees教堂, 教會, 教会
Japans教会, 教会
Koreaans교회
Arabischكنيسة
Turkskilise, kilise
Poolskościół, kościół
Zweedskyrka, kyrka
Deenskirke, kirke
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek