clerus

mannelijk (de)/'klerʏs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de leiders van een kerkgenootschap
    De clerus had het recht te oordelen over leven en dood.

Etymologie

* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘geestelijkheid’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1569

Vertalingen

Engelsclergy
Fransclergé
DuitsKlerus
Spaansclero
Italiaansclero