kerktijd
mannelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- periode dat men naar de kerk gaat; periode dat er kerkdiensten zijnHet moest kerktijd zijn, er liep niemand langs de Wimerts.Ferrari, Leo van der Luyt, Chris Blaauboer, Henk Sieben en Frank Genot staken na kerktijd de muzikale hoofden bij elkaar en begonnen een 'sixties/seven- ties'-bandje.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek