kerkmuziek

vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. muziek die voor godsdienstoefeningen is gemaakt en in een kerk wordt gespeeld
    Wie zondag de Maas en Congo bezoekt, hoort uitsluitend kerkmuziek. Soulzanger William Bell verdeelde als kleine jongen zijn tijd tussen het kerkkoor en Beale Street in Memphis. Anthony Hamilton sleep zijn soulstem in de kerk, zijn nummers hebben titels als Amen, Pray For Me en Ever Seen Heaven. NRC Leendert van der Valk 6 juli 2016

Etymologie

* In de betekenis van ‘muziek die in een kerk wordt gespeeld’ voor het eerst aangetroffen in 1754

Vertalingen

Engelschurch music